Toespraak van Yves Leterme op Brussels Forum
26/03/2010
Het gesproken woord geldt
“De terugkeer van de politiek”
Excellenties,
Dames en Heren,
Bij het voorbereiden van deze toespraak twijfelde ik of ik er de titel zou aan geven “het einde van de soevereiniteit” of “de terugkeer van de soevereiniteit”. Beide zouden even toepasselijk zijn..
Nieuwe uitdagingen en recente ontwikkelingen wekken inderdaad de indruk dat de aarde vlak geworden is. De ineenstorting van een Amerikaanse bank lokte een internationale financiële en economische crisis uit die een groot deel van de wereld raakte. Vervuiling, terrorisme, georganiseerde misdaad of klimaatwijzigingen worden niet tegengehouden door staatsgrenzen. Het aanpakken van die problemen vergt naast lokale actie, zoals we weten, ook een wereldwijde benadering..
In deze blijkbaar grenzenloze wereld zijn grenzen echter belangrijker dan ooit - denk maar aan de langer wordende rijen en de verregaande veiligheidscontroles op de luchthavens. Of ik zou eigenlijk moeten zeggen dat nationale regeringen belangrijker zijn dan ooit. Onze burgers blijven zich inderdaad tot hun nationale regering wenden voor bescherming tegen terroristisch geweld en misdaad, tegen armoede en ontbering.
De financiële crisis illustreert zeer duidelijk wat ik “de terugkeer van de politiek” zou willen noemen. Bankiers die in hun gloriedagen neerkeken op ‘simpele lokale politici’ gingen een dramatische ommekeer plots de hulp afsmeken van diezelfde politici om hun banken te redden.
Ik denk dat er reeds gezegd werd dat we in een wereld leven van ‘gated globalism’, een ‘globalisme met hekken’ Dat is geen slecht beeld. Er zijn nog hekken in deze geglobaliseerde wereld, en in democratieën worden politieke leiders eigenlijk ook verkozen om die beschermingshekken te bewaken.
De wereld zijnde wat hij is, zal de overhand van nationaal politiek leiderschap niet fundamenteel veranderen, zelfs niet binnen de Europese Unie – die innovatieve structuur zonder weerga waarin soevereine staten vrijwillig beslissen een substantieel deel van hun soevereiniteit gezamenlijk uit te oefenen. Ook het levendige debat over Griekenland en de euro dat we net achter de rug hebben was en is wezenlijk politiek.
Ik zou hier graag drie domeinen willen aanhalen waarin politieke leiders hun verantwoordelijkheid moeten nemen, nationaal en collectief, om de impuls voor nodige hervormingen te behouden of te genereren.
Ten eerste moeten we de gevolgen van de financiële crisis aanpakken. Na de redding van onze banken werden we geconfronteerd met het verlies aan vertrouwen dat tot een economische recessie recessie leidde. Nu kampen we met de derde golf van de crisis, het banenverlies en een stijgende werkloosheid.
Vele EU-landen doorstaan de crisis zonder dat hun burgers er al te veel onder lijden. In België en andere EU-lidstaten slagen regeringen daarin door een beleid dat de schokken van de crisis voor onze bevolking verzacht zonder de toekomst al te zwaar te hypothekeren.
De meeste van onze burgers genieten nog steeds van wat ooit “the modest miracle of a normal life” genoemd is. Dat klinkt misschien niet heroïsch, en dat is niet de stof voor heldendichten of epische films. Maar dat is wel de betrachting van een meerderheid van de bewoners van deze aarde, en alleen diegenen die niet weten wat oorlog is, of ontbering, of tirannie of gedwongen ballingschap, alleen diegenen kunnen neerkijken op dit bescheiden mirakel.
Het beheer van het heden ten gunste van de burgers is echter maar een deel van onze taak. Nu het ergste van de crisis achter de rug lijkt, mogen we niet stilvallen. We mogen de lessen die we getrokken hebben niet vergeten, en moeten het elan aanhouden voor een betere regulering van het internationaal financieel stelsel, om vrije handel te waarborgen en protectionisme tegen te gaan. Dat vergt politieke wil en leiderschap. We verwachten onder meer een sterk signaal van de G20. Lid zijn van deze groep is geen statussymbool – of zou het althans niet mogen zijn – het is een verantwoordelijkheid om globale actie te initiëren.
Zulk een leiderschap hebben we nodig om weer aan te knopen met een gezonde economische groei. Maar dat volstaat niet. We moeten ook – en dat is onze tweede grote uitdaging – de hulpbronnen en rijkdommen van de wereld op een billijker, evenwichtiger manier verdelen binnen en tussen onze landen.
Waar staat Europa op dat vlak?
Ik ken de kritiek die op de Europese Unie en vele van haar lidstaten wordt afgevuurd maar al te goed. We lijden aan overregulering, zegt men. Onze stelsels van sociale bescherming en bureaucratieën slorpen een te groot deel van ons bruto nationaal product op. Onze sociale zekerheid kan ertoe leiden persoonlijk initiatief, durvend ondernemerschap en een toekomstgerichtt R&D beleid te smoren. Onze economische groei is traag, vergeleken met andere delen van de wereld.
Ik ben het niet eens met de gestrengheid van die diagnose, maar ik geef toe dat er enige waarheid in schuilt. We moeten waakzaam blijven om het juiste evenwicht te vinden of te behouden tussen ons sociaal model, waaraan we gehecht zijn, en het vrij initiatief dat nodig is om welvaart te scheppen
Maar laten we nu de andere zijde van de medaille bekijken. We hebben geen jaarlijkse economische groei van dubbele cijfers gekend. Maar groei alleen volstaat niet, men moet ook zorgen voor een billijke verdeling van de nieuwe rijkdom tussen de burgers om de sociale harmonie niet in gevaar te brengen. In West-Europa is de groei trager, maar we vertrokken van een hogere basis, en realiseerden die in een context van politieke stabiliteit en sociale harmonie.
Na de val van de Berlijnse muur in 1989 beseften we dat de beste manier om onze democratische systemen en waarden te vrijwaren erin bestond ze te exporteren. Met de uitbreiding van de Navo en de Europese Unie konden we voorspelbaarheid, vrede, open bewind en democratische instellingen over praktisch heel ons continent spreiden, wat geen geringe verwezenlijking is.
Naast die spreiding van rijkdom onder hun burgers zijn de EU-landen ook, via individuele en collectieve actie, de belangrijkste donoren van ontwikkelingshulp. Dat past in onze agenda om economische groei te paren aan maatschappelijke en ecologische verantwoordelijkheidszin.
Maar we weten dat er meer moet gebeuren om de kloof te dichten tussen de rijkere en de armere delen van de wereld. En we weten ook dat we het niet op ons eentje kunnen.
Onze eerste partners in deze poging zijn uiteraard de Noord-Amerikaanse NAVO-partners met wie we onze waarden en een oude geschiedenis delen. De relaties tussen de Europese landen en de Verenigde Staten van Amerika zijn soms wat stormachtig geweest. Dat is helemaal normaal tussen vrienden die zich veilig genoeg voelen in hun vriendschap om openhartig te spreken.
Over de trans-Atlantische vriendschap zou ik graag George Washington aanhalen: ‘True friendship is a plant of slow growth… and must undergo and withstand the shocks of adversity … before it is entitled to the appellation. Als ik het woord ‘appellation’ naar de wijnwereld zou overplanten zou zou ik zeggen dat de Europees-Amerikaanse vriendschap een ‘appellation contrôlée’ van een uitstekend wijnjaar is.
Samenwerken met vrienden en bondgenoten die dezelfde mening toegedaan zijn, is uiteraard niet voldoende. Rusland is meer dan een Europese mogendheid, maar het is zeer zeker een mogendheid in Europa. Het moet betrokken worden bij het creëren en behouden van een Europese veiligheidsstructuur, en is daarnaast een belangrijke speler op het internationale toneel.
In een breder kader moeten we samenwerken met de oude en nieuwe economische reuzen in Azië en elders om te verzekeren dat de economische groei gelijkmatiger gespreid wordt en de toekomst van onze planeet niet hypothekeert. Wij bezitten deze aarde niet, we hebben ze in bruikleen voor onze kinderen en kleinkinderen.
De Top van september over de midterm review van de Millennium Development Goals moet deze ondermening een nieuw elan geven. Niet alleen zal de top de gelegenheid zijn om te bekijken wat rijke landen meer kunnen en moeten doen. De top zal ook een kritische blik moeten werpen op wat de regeringen van armere landen beter kunnen en moeten doen. Inderdaad, sommige landen zijn niet arm wegens een gebrek aan natuurlijke rijkdommen maar wegens een gebrek aan aan goed bestuur. Ook dat is weer een kwestie van politieke wil, van verantwoordelijk gedrag van regeringen.
Ten derde - last but not least - , moeten wij allen samenwerken, met alle betrokkenen, om vrede te brengen in landen en gebieden die door oorlog verscheurd worden.
Zoals ik het al zei in mijn toespraak van september op de Algemene vergadering van de VN, de ergste internationale wanorde is niet de huidige economische crisis. De ergste internationale wanorde is dat vandaag nog miljoenen mensen gedood worden, verminkt worden, verkracht worden, uit hun thuisland gedreven worden, door geweld tussen en binnen staten. De ergste internationale wanorde is dat miljoenen mensen nog steeds niet de kans krijgen op een minimaal menswaardig bestaan, wegens oorlog, burgeroorlog, interetnisch geweld of ongenadige onderdrukking.
Dat is de belangrijkste uitdaging, want zonder vrede, zonder veiligheid, is er geen ontwikkeling, laat staan duurzame ontwikkeling.
Om een einde te maken aan het geweld in Afrikaanse en Aziatische landen en elders hebben we geen nieuwe instellingen nodig maar een nieuwe geestesgesteldheid. ’Omdat oorlogen beginnen in de geesten van mensen, is het ook in de geesten van mensen dat de verdediging van de vrede moet opgebouwd worden.’ Deze mooie zin uit de preambule van de UNESCO-grondwet zegt het allemaal.
Het betekent dat wij allen, en om te beginnen de regeringen, la raison avant la passion moeten plaatsen, ‘ de rede voor de passie’, zoals een oude wapenspreuk zegt.
Het aanwakkeren van emoties, van nationalisme, van vooroordelen tegen anderen, van vijandigheid en haat, is maar al te gemakkelijk. Andere mogendheden bestrijden, gewoon om de eigen macht of vermogen tot dwarsliggerij te tonen kan het nationale of persoonlijk ego strelen. Terreurorganisaties herbergen en financieren kunnen sommige fanatieke leiders beschouwen als een dienst aan een nobele zaak. Geen van die handelwijzen dient echter vrede, ontwikkeling en vooruitgang, geen ervan dient de bevolkingen die de regeringen verondersteld worden te dienen.
Ook daar moet een nieuw elan gegeven worden, door diegenen die politieke macht uitoefenen. Zij moeten moed tonen, want in tegenstelling tot haatboodschappen vergt de taal van gezond verstand en verdraagzaamheid heel wat moed. De regeringen zijn die moed verplicht aan hun mensen. En – opnieuw - wat mensen over heel de wereld betrachten is het bescheiden mirakel van een normaal leven, dat niet kan bestaan zonder vrede en essentiële individuele veiligheid.
Ik kan me geen beter forum indenken om deze uitdagingen op een open, intellectuele, eerlijke manier te bespreken dan dit Brussels Forum dat ik met plezier verwelkom voor zijn lustrum-bijeenkomst.
Nog een laatste woord vooraleer ik u laat beginnen met uw uiterst interessante en drukke programma. Net voor een vorige editie van dit Forum, speculeerden buitenlandse media, naar aanleiding van een politieke crisis in dit land, hoe lang België nog zou blijven bestaan. Zoals u kan vaststellen luidt ons antwoord zoals dat van de man die zijn eigen overlijdensbericht las in een krant en antwoordde dat ‘elke mededeling over mijn verscheiden zwaar overdreven en verschrikkelijk voorbarig is’.
Gezien de onvoorspelbaarheid van het politieke bestaan, weet ik niet waar ik zelf zal staan wanneer het volgende lustrum van het Brussels Forum gevierd worden. Maar ik ben er van overtuigd dat dit Forum het nog steeds schitterend zal doen, dankzij het talent en de onvermoeibare energie van de organisatoren van het German Marshall Fund of the United States. En ik weet dat België er nog steeds zal zijn en u hier opnieuw met grote vreugde zal onthalen.
Ondertussen wens ik de vijfde editie van het Brussels Forum zeer openhartige en vruchtbare discussies.