Toespraak van de eerste minister bij UNIZO
17/09/2008
Mr. de Voorzitter,
Mr. de Gedelegeerd Bestuurder,
Beste collega’s,
Dames en Heren,
Met veel plezier heb ik de uitnodiging aangenomen om u hier vanavond , naar jaarlijkse gewoonte bij de start van het politieke jaar, toe te spreken op deze UNIZO-nazomerontmoeting.
Een samenkomst welke plaats vindt tegen de achtergrond van toch wel bijzonder onrustwekkende sociaal economische evoluties.
Ten eerste: er is sinds enkele maanden een duidelijke omslag in de internationale macro-economische conjunctuur;
Ten tweede: we kunnen spreken van een derde oliecrisis, na deze begin en einde jaren zeventig, die onze westerse olieverslaafde economieën extra pijn doet;
Ten derde: we krijgen te kampen met een financiële crisis overwaaiende uit de Verenigde Staten welke intussen ook de financiële instellingen in België niet onberoerd laat.
Tegen deze achtergrond meen ik te mogen stellen dat een bijzondere inspanning en verantwoordelijkheid mag worden verwacht vanwege de sociale partners en van het geheel van de politieke leiders in de land. Het zal er op neer komen om de komende weken en maanden koelbloedig om te gaan met deze uitdagingen en niet te vervallen in boude uitspraken en kort gewin. Moed vertonen komt in deze neer op een resolute keuze voor lange-termijn oplossingen waarbij het algemeen belang voorop wordt gesteld en waarbij we de realiteit onder ogen durven zien.
Dames en heren,
Met deze kennis in het achterhoofd zou ik samen met u kort de belangrijkste sociaal-economische uitdagingen willen overlopen welke de komende weken en maanden het brandpunt van de actualiteit zullen uitmaken.
1. De competitiviteit van onze ondernemingen en de economie in haar geheel
2. De noodzaak om de tewerkstellingraad in ons land structureel te verhogen
3. Het behoud van de koopkracht en de welvaart van onze burgers
4. De sanering van de overheidsfinanciën
5. Het communautair overleg
Laat me starten met dit laatste: de staatshervorming.
Ik ben ervan overtuigd dat we wat dit betreft nood hebben aan een doorbraak. Niet om de verzuchtingen in te lossen van een bepaalde politieke klasse in dit land, maar omdat ik er rotsvast van overtuigd ben dat ons besluitvormingsproces zich dient aan te passen aan de nieuwe uitdagingen welke voor ons liggen en zich moet durven herstructureren. Sinds 14 juli jl. is de visie op de manier waarop in dit land het communautaire overleg dient plaats te vinden grondig veranderd.
Het zwaartepunt van de onderhandeling is verplaatst van het federale naar het regionale niveau door de “dialoog van gemeenschap tot gemeenschap”. Ik wens hier van de gelegenheid gebruik te maken om duidelijk te maken dat ik hoop en met nadruk bepleit dat eenieder de verantwoordelijkheid opneemt om deze besprekingen ernstig te voeren en dit met de oprechte wil om tot een akkoord te komen. Hopelijk kunnen dan ook de elementen inzake de voor u belangrijke voorstellen m.b.t. het economische en industrieel beleid worden weerhouden; ik denk onder meer aan de overheveling van de wet op de inplanting van handelsvestigingen, het participatiefonds, het prijzenbeleid verbonden met gewest- en gemeenschapsbevoegdheden, de huurwet, het beleid inzake onteigeningsprocedures e.d.m.
De tweede belangrijkste uitdaging betreft het begrotingsbeleid.
Want wij mogen niet vervallen in de fouten van mijn voorgangers die in tijden van stijgende olieprijzen, conjuncturele achteruitgang en communautair overleg de begroting lieten ontsporen.
Bij de opmaak van de begroting baseren we ons steeds op een voorspelde economische groei en verwachte inflatie op basis van gegevens van o. m. het planbureau.
Bij de opmaak van de begroting 2008 was dat niet anders en werd uitgegaan van een gemiddelde inflatie van 3% en een economische groei van 1,9%. Dit bleek een momentopname te zijn. Het voorbije jaar heeft ons geleerd dat de macro-economische realiteit – spijtig genoeg- minder rooskleurig was. We kennen intussen een gemiddeld inflatiepeil van 4,7% en voor het volgende kwartaal vermoedelijk slechts een economische groei van 1,5%.
Het spreekt voor zich dat deze nieuwe macro-economische realiteit de basis vormde van een bijsturing aan de begroting 2008 deze zomer en dat deze cijfers eveneens het uitgangspunt vormen voor de opmaak van de begroting van 2009.
Ik wil u wel het volgende verduidelijken: het zijn niet zozeer de uitgaven van de federale overheid welke de evenwichtsoefening bezwaren, het zijn eerder de minderinkomsten aan ontvangst-zijde - en dan nog meer specifiek deze welke rechtstreeks in verhouding staan met de evolutie van de internationale conjunctuur en internationale groei - die het ons moeilijk maken.
De opmaak van de begroting 2009 zal geen sinecure zijn maar ik wil eveneens duidelijk stellen dat we niet mogen vervallen in naïef optimisme noch ons mogen bezondigen aan zwartgalligheid of negativisme.
Daarom twee punten van vergelijking:
- Het is mogelijks een magere troost, maar het begrotingsprobleem tekent zich in bepaalde buurlanden en gemiddeld in de Eurozone nog sterker af dan bij ons: waar wij spreken over een mogelijk tekort van enkele procentpunten na de komma heeft Frankrijk een verwacht begrotingstekort van 2,9% en heeft het Verenigd Koninkrijk te kampen met percentages van -3,3%. Zelfs Duitsland bereidt zich voor op een tekort van 0,5%.
- Bijkomend wil ik u wel wijzen op het feit dat wij er desalniettemin in slagen om onze schuldgraad op structurele wijze te laten dalen. Waar dit in 2007 nog bijna 85% van het BBP bedroeg, klokken we in 2008 af op minder dan 82% en voorzien de ramingen van Eurostat dat we volgend jaar onder de 80% duiken.
Drie principes staan m.i. voorop bij het opstellen van de begroting 2009:
- We kunnen niet raken aan de koopkracht van onze burgers, dus een verhoging van de personenbelasting is taboe;
- De competitiviteit van onze ondernemingen staat voorop, dus we moeten werk maken van een verdere verlaging van de lasten op arbeid;
- Ik wil mij niet bezondigen aan eenmalige opsmukoperaties.
Bij dit alles houden wij de doelstellingen inzake evenwicht en overschot geformuleerd in het nieuw stabiliteitsprogramma voor ogen en richten ons op het concreet traject waarbij gradueel een overschot wordt opgebouwd dat in 2011 minstens 1% van het BBP moet bedragen.
Laat mij in dit verlengde wel stellen dat ik er van overtuigd ben dat – op het moment dat het communautair overleg inzake de staatshervorming zijn verdere verloop kent – we ook de discussie moeten durven aangaan over een meer evenredige verdeling van de lusten en de lasten tussen de verschillende overheden in dit land.
De derde prioriteit, de koopkracht.
Ofschoon de budgettaire mogelijkheden bijzonder beperkt zijn heeft deze regering alvast haar verantwoordelijkheid niet ontlopen.
Voor 2008 alleen wordt ruim 97 mio€ aan de verhoging van de sociale uitkeringen besteed (specifiek gericht op de laagste en middeninkomens) en bijkomend nog voor ruim 348 mio euro aan overige ondersteunende maatregelen.
Dit gecombineerd met een tot drie maal toe automatische indexering van de lonen, wedden en uitkeringen, maakt dat de gemiddelde Belgische consument – in vergelijking met zijn collega-burgers in de buurlanden- het “koopkrachtprobleem” minder acuut zou moeten ervaren. Gecumuleerd kunnen we in deze spreken van een koopkrachtinjectie op jaarbasis van 3,6 miljard euro.
Daarenboven verwacht de regering de komende weken het advies van de sociale partners m.b.t. de vastlegging van de enveloppe voor de welvaartsaanpassingen van de sociale uitkeringen voor de periode 2009-2010, alsook over de invulling ervan. Eergisteren hebben wij in het gesprek met de groep van tien reeds aangegeven dat wij het engagement hiertoe opgenomen in de generatiepactwet willen honoreren en hiertoe de nodige middelen zullen voorzien, meer bepaald voorzien we minimum 200 mio euro in 2009 oplopend tot ruim 400 mio euro in 2010.
Echter, en ik herhaal wat ik al op verschillende fora heb gesteld: geen enkele regering is in staat om alle verlies aan koopkracht als gevolg van de stijgende energie- en voedselprijzen volledig met overheidsmiddelen te compenseren! Wie iets anders stelt, neemt een loopje met de waarheid en draagt geenszins bij aan het serene klimaat dat we nodig hebben om de onderhandelingen voor het nieuwe inter-professionele akkoord tot een goed einde te brengen.
Bijkomende maatregelen kunnen – indien budgettaire marge zou bestaan- enkel genomen worden wanneer ze in goede samenhang worden geplaatst met initiatieven op het vlak van de schepping van bijkomende tewerkstelling en op het vlak van het garanderen van de competitiviteit van de ondernemingen en de economie.
Vierde belangrijke doelstelling: tewerkstelling.
De tewerkstellingsgraad in ons land is nog steeds te laag en u zal het me bevestigen – zeker in het verlengde van de koopkrachtdiscussie van daarnet- de beste garantie op welvaart is immers werk.
Daarnaast is de stijging van de werkzaamheidsgraad vanuit collectief oogpunt bij uitstek de enige manier om ons uniek systeem van sociale zekerheid in stand te houden. Extra jobcreatie is dus noodzakelijk, bovenop de 27800 jobs die door het planbureau bij constant beleid worden voorspeld. Ik vraag dan ook aan de sociale partners om naast de koopkracht, naast de competitiviteit van de ondernemingen een bijzondere aandacht te besteden aan het tewerkstellingsvraagstuk in de komende besprekingen inzake het loonakkoord.
Vanuit de regering nemen wij het voortouw om het arbeidsaanbod te versterken door o.m. de werkloosheidsvallen op te ruimen, het activeringsbeleid te versterken en door werken aantrekkelijker te maken. Ook in de pensioenconferentie die eind dit jaar wordt opgestart zal de loopbaanproblematiek vanuit het standpunt van activering worden benaderd. De problematiek van de degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen past eveneens in de versterking van het arbeidsaanbod: werkzoekenden die hun uitkering zien dalen, ook al vertrekken ze van een hoger niveau, worden aangespoord hun zoekgedrag te intensifiëren. Het arbeidsmarktbeleid is één van de voorbeelden bij uitstek waar een grondige bespreking over de bevoegdheidsverdeling aan de orde is. Het betreft in zijn geheel een discours waarbij geen taboes mogen gelden. Zo zijn we binnen het regeerakkoord overeengekomen om na te denken over de modaliteiten van de invoering van een degressief karakter in de werkloosheidsuitkering, maar net zo goed om de voorwaarden te bepalen om in specifieke gevallen economische immigratie toe te staan …
Vandaar dus mijn herhaalde oproep om de tewerkstellingsproblematiek de volgende weken en maanden een cruciale rol te geven in de besprekingen binnen het sociaal overleg!
Ten vijfde, maar last but not least: de concurrentiekracht van onze ondernemingen, de competitiviteit van onze economie
Eigenlijk het belangrijkste dossier:
Zonder competitiviteit geen ondernemingen, zonder ondernemingen geen jobs en zonder jobs uiteraard geen duurzame garanties voor koopkracht!
4 Elementen zijn hierbij essentieel:
1. De evolutie van de loonkost
2. De (para)fiscale politiek
3. De nood aan marktverbreding
4. Het energievraagstuk
Wat de evolutie van de loonkost betreft, ik ben mij volledig bewust van de concurrentiële handicap waarmee onze bedrijven worden geconfronteerd. Vandaar dan ook mijn oproep aan de verschillende sociale partners om in de komende onderhandelingen voor het nieuwe loonakkoord deze zeer terechte bekommernis niet uit het oog te verliezen.
Wij verwachten begin november het technisch verslag vanuit de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, maar het staat daarbij voorop dat de wet van 1996 gerespecteerd wordt: een correcte loonnorm is nodig om de concurrentiekracht van onze bedrijven veilig te stellen.
De federale regering zal een partner zijn in de onderhandelingen naar een nieuw loonakkoord, maar het zal niet de federale begroting zijn die de mogelijks resterende loonkostenhandicap volledig kan compenseren.
Om dit partnerschap te benadrukkenen verwijs ik naar het regeerakkoord waar we het engagement op ons hebben genomen om binnen de budgettaire mogelijkheden de structurele lastenverlaging verder door te voeren en dit zowel voor de lage lonen als op overuren, ploegen- en nachtarbeid. Gerichte lastenverlagingen specifiek met het oog op de structurele verbetering van de concurrentiekracht van onze ondernemingen en met het ook een verhoogde werkgelegenheid.
Essentieel voor u is eveneens de (para)fiscale politiek van de overheid. In deze hebben wij reeds maatregelen genomen: voor wat de vennootschapsbelasting betreft, verwijs ik naar het behoud van de notionele interest. Uit één van uw recente peilingen verneem ik dat slechts 42% van de KO’s hiervan gebruik maakt, ik steun u dan ook in uw voornemen om de voordelen van deze maatregelen beter bekend te maken. Daarnaast breng ik in herinnering dat we het tarief voor niet-doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor wetenschappelijke onderzoekers uniform op 65% hebben vastgelegd en dat ondernemingen 80% van hun octrooi-inkomsten kunnen aftrekken van hun belastbare basis zodanig dat de effectieve belastingdruk op deze inkomsten uit octrooien nog maximaal 6,8% (in plaats van 33,99%) zal bedragen.
Het volstaat echter niet dat we innoverende producten en diensten leveren. Om competitief te blijven moeten we onze markten verbreden. Dit lijkt een evidentie in de geglobaliseerde economie maar in de praktijk is dat moeilijker dan vroeger. België verliest de laatste jaren marktaandeel op de belangrijkste groeimarkten en stagneert op de meer traditionele markten. Het is onze gezamenlijke opdracht om deze trend terug om te keren! Vanuit de federale overheid willen wij de gewesten in hun opdracht inzake buitenlandse handel voor de volle 100 procent ondersteunen. Elkeen dient zijn verantwoordelijkheid hierin op te nemen. Elke buitenlandse reis moet worden aangegrepen voor economische contacten en voor het versterken van de handelsrelaties. Met andere woorden, we pakken de globalisering niet aan door erover te klagen maar door erin mee te spelen. De buitenlandse zendingen die ikzelf dit najaar onderneem, onder meer naar Sochi, New York en China zal ik evenzeer aangrijpen om ons land te promoten.
Een laatste cruciaal dossier wat op dit moment meer dan ooit uw competitiviteit bemoeilijkt betreft het energievraagstuk.
Zowel inzake productie en distributie als aangaande prijszetting en marktwerking zijn er prioriteiten te stellen en maatregelen te nemen.
Enerzijds naar de productie toe: België is de afgelopen jaren een netto-importeur van elektriciteit geworden. We voeren zowat 10% van onze elektriciteit in. Dit is geen goede evolutie en we moeten deze balans terug ombuigen door een betere benutting van de bestaande opportuniteiten. De regering zal nieuwe investeringen in productiecapaciteit verwelkomen en aanmoedigen. Bevoorradingszekerheid, betaalbaarheid en een verminderde CO2-uitstoot zijn hierbij prioritaire doelstellingen en wij moeten zonder taboes durven nadenken over een ideale energiemix. Ik verwijs in deze naar het adviesrapport dat wordt ingewacht tegen de zomer van volgend jaar.
In de afgelopen maanden is het Europese energielandschap grondig herschikt.
Cruciaal voor België is dat de creatie van de zogenaamde “energiereus” GdF Suez gepaard gaat met de nodige waarborgen voor concurrentie en onafhankelijkheid. Dit alles onder het waakzame oog van de Europese Commissaris voor de Mededinging, Neelie Kroes.
We stellen vast dat parallel aan de fusie een aantal nieuwe namen hun intrede hebben gemaakt op de Belgische energiemarkt.
Ten eerste werd het meerderheidsaandeel van Suez van 57, 25% in de gashandelsmaatschappij Distrigas afgestoten en verkocht aan het Italiaanse Eni, waardoor we een nieuwe dynamische partner op de gasmarkt verwelkomen.
Daarnaast werd het aandeel van Gaz de France van 25, 50% in de tweede Belgische elektriciteitsspeler SPE verkocht aan het Britse Centrica. De tweede elektriciteitsproducent van België beschikt hiermee over een nieuwe, Britse meerderheidsaandeelhouder.
Tenslotte heeft Suez zijn controle op het gastransportnet Fluxys opgegeven. Dit ten voordele van de publieke speler Publigas, die in de komende jaren het net nog sterker in handen zal krijgen en via Fluxys de controle op de LNG-terminal in Zeebrugge zal kunnen uitoefenen.
Beste genodigden,
Ik sluit af. De vier essentiële krijtlijnen zijn opgesomd. De federale regering is klaar om deze uitdagingen aan te gaan om haar verantwoordelijkheid op te nemen.
U mag op ons rekenen!
Yves Leterme