Toespraak ter gelegenheid van de voorzitterswissel bij het VBO
17/04/2008
Mijnheer de Voorzitter,
Mijnheer de Gedelegeerd Bestuurder,
Collega’s,
Dames en heren,
Een voorzitterswissel is een moment om vooruit te blikken naar de uitdagingen die voor ons liggen en om dankbaar terug te kijken naar wat voorbij is. Dit laatste is vandaag zeker van toepassing bij het vertrek van Jean-Claude Daoust.
Voorzitter zijn van het Verbond voor Belgische Ondernemingen is niet voor iedereen weggelegd. Met zijn sectorganisaties vertegenwoordigt het VBO immers meer dan 30.000 Belgische ondernemingen die samen 1,5 miljoen werknemers in de private sector te werk stellen.
Er is daarenboven de specifieke opdracht van de voorzitter van het VBO als 11de man in de “Groep van 10”.
Kwaliteiten als leiderschap, betrouwbaarheid, doorzettingsvermogen, moed en empathie zijn broodnodig om deze opdracht succesvol ten einde te brengen. Jean-Claude Daoust en zijn team hebben bewezen deze taak met verve tot een goed einde te kunnen brengen. Het inter-professioneel akkoord dat werd afgesloten juist voor kerst 2006 was hiervan een sprekend voorbeeld.
Mijnheer Daoust, mijn oprechte dank voor uw inzet de voorbije drie jaar en alle succes in uw verdere carrière!
Enerzijds vindt deze voorzitterswissel plaats op een moment van minder rooskleurige economische vooruitzichten en dus onder groeivertraging en hogere inflatie. Anderzijds is de sociaaleconomische agenda zwaar beladen. De rol van de sociale partners in het algemeen en van het VBO in het bijzonder is de komende maanden essentieel. Ik denk hierbij in eerste instantie aan de onderhandelingen voor het interprofessioneel akkoord, de evaluatie en actualisatie van de Lissabon-doelstellingen onder meer inzake activering, innovatie en opleiding, maar ook aan bepaalde aspecten van het aangekondigde overleg inzake verdere stappen in de staatshervorming.
Laat me even stilstaan bij de economische vooruitzichten.
Soms heb ik het gevoel dat noch de publieke opinie, noch het merendeel van de beleidsmakers in dit land zich al helemaal bewust zijn van de draagwijdte hiervan. Al is er nog geen verandering van klimaat, er is toch al duidelijk sprake van een weersverandering. Onder andere het IMF heeft zijn groeiramingen recent met 0,2% verlaagd. Zij liggen traditioneel beneden de consensusramingen van andere internationale instellingen. Ook de recente inflatiecijfers zijn zorgwekkend. Deze is in België gestegen van 1,2% in augustus 2007 tot 4,4% in maart dit jaar. Het prijsstijgingstempo van de energiedragers en de bewerkte levensmiddelen is op jaarbasis opgelopen tot respectievelijk 20,7% en 8,3% in maart van dit jaar. Deze situatie van groeivertraging en verhoogde inflatie laat zich uiteraard ruimer voelen dan alleen in België.
De economische evolutie vraagt om koelbloedige vastberadenheid, zonder paniekvoetbal.
Zo is de regering bovenop de voorzichtige begrotingsopmaak 2008 reeds gestart met de technische voorbereiding van de begrotingscontrole 2008 die nog voor het zomerreces zal worden afgerond.
Naar aanleiding van de stijgende inflatie zijn er zorgen en bedenkingen geformuleerd over het systeem van de automatische indexering van de lonen zoals die door de werkgevers en vakbonden wordt beslist. Ook u heeft recent aangegeven dat ons indexsysteem een belangrijke factor van stabiliteit betekent voor de sociaaleconomische verhoudingen in dit land en het inkomensbeleid t.a.v. de werknemers. Dit neemt niet weg dat de zorg om het concurrentievermogen van onze ondernemingen enerzijds en het behoud van de koopkracht anderzijds samen een zeer belangrijke uitdaging vormen.
Ik ben ervan overtuigd dat de verschillende partners met veel verantwoordelijkheidszin tot het uiterste zullen gaan om tot een evenwichtig resultaat te komen. De regering van haar kant heeft zich geëngageerd tot bijkomende lastenverlagingen die enerzijds de loonkost van onze bedrijven zullen verlagen en anderzijds het netto-inkomen van onze werknemers gunstig kunnen beïnvloeden. Dit alles uiteraard onder de voorwaarde dat dit de onderhandelingsmarges niet mag vergroten.
Een beperkte economische groei heeft repercussies voor onze bedrijven en werknemers, maar ook voor de overheidsfinanciën.
Een beperkte budgettaire ruimte, betekent prioriteiten vastleggen. Dat betekent op een verantwoorde manier, fasegewijs de beperkte beleidsruimte invullen zonder het begrotingsevenwicht in het gedrang te brengen. Dit is een zorg en een verantwoordelijkheid voor alle overheden in dit land.
Over het budgettair luik van het regeerakkoord spreekt men soms in termen van vaagheid en vrijblijvendheid en een gebrek aan vooruitziendheid. Welnu wij hebben niet alleen voor dit jaar een begroting in evenwicht ingediend, maar wij hebben bovendien het engagement aangegaan om vanaf volgend jaar een overschot op te bouwen dat in 2011 minstens 1% van het BBP moet bedragen. De ministerraad van morgen zal zich uitspreken over het nieuw voorstel van stabiliteitsprogramma, waarbij wij onze verantwoordelijkheid voor de komende jaren opnemen en dit traject in concrete cijfers uitwerken.
Wie kijkt naar de begrotingsvoorstellen van de buurlanden waarmee we onze loonkostontwikkeling vergelijken, die ziet dat Duitsland een begroting indiende met een beperkt tekort en dat Frankrijk zelfs -2,8% liet optekenen.
Ik herhaal wat ik ook reeds in vorige functies heb gezegd: de budgettaire marge van de federale overheid is zeer beperkt. Vandaar mijn blijvende oproep naar alle overheden in dit land en meer in het bijzonder naar deze entiteiten die kunnen rekenen op zo goed als gegarandeerde inkomsten uit dotaties. Ik ben blij dat we dit jaar bij de opmaak van de begroting van de gezamenlijke overheid opnieuw duidelijke en correcte afspraken konden maken en ik hoop dat deze constructieve samenwerking ook in de toekomst zo kan blijven. Ik vraag daarom aan elke entiteit om de groei van de primaire uitgaven binnen de perken te houden.
In die context herhaal ik dat deze regering, bij het invullen van de resterende beleidsmarge, niet zal vervallen in de fouten die in de zeventiger jaren werden gemaakt, maar zal focussen op prioriteiten die noodzakelijk zijn voor de goede werking van de economie. Namelijk een verhoging van de slagkracht ervan, een evenwichtig inkomensbeleid, maar ook een correcte handhaving van de rechtsorde, de goede werking van de overheidsinstellingen, administratieve vereenvoudiging, een doorgedreven anti-fraude beleid.
In het najaar zal ook de evaluatie en bijsturing van de Lissabon-doelstellingen in het centrum van de sociaaleconomische actualiteit staan. De prestaties van ons land zijn in het algemeen verdienstelijk, maar duidelijk nog onvoldoende. Dit betekent dat we als overheden, werkgevers en vakbonden bijkomende inspanningen inzake werkgelegenheid, innovatie, duurzame ontwikkeling en sociale samenhang moeten leveren.
Het regeerakkoord van 20 maart jl. voorziet een ruime agenda inzake de modernisering van de arbeidsmarkt en de werkgelegenheid.
Heel bewust heeft deze regering ervoor gekozen om de sociale partners systematisch en van bij de aanvang te betrekken bij deze beleidsdoelstellingen. Ik ga ervan uit dat wij dan ook in de loop van deze legislatuur op elk van deze domeinen vooruitgang boeken. Tijdens mijn recente informele contacten met de verschillende sociale partners afzonderlijk heb ik hoopvolle signalen genoteerd op cruciale domeinen zoals vorming , activering en een verhoogde professionele mobiliteit van werkzoekenden, de hervorming van het pensioenstelsel, de relatie arbeid-gezin, …
Prioritair is uiteraard de concurrentiepositie van onze bedrijven. Naast een verhoogde inspanning inzake onderzoek en ontwikkeling, moeten wij de loonkosten beheersen opdat hun ontwikkeling gunstiger verloopt dan bij onze belangrijkste handelspartners. We moeten onze inspanningen voor vorming verbeteren en er is onevenwicht tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Wij willen de werkzoekenden beter begeleiden en hun mobiliteit verhogen, maar ook hun zoekgedrag strikter opvolgen.
Uw aftredend voorzitter heeft de voorbije jaren niet nagelaten om bovendien het belang van een verhoogde diversiteit op de werkvloer te benadrukken. Ik volg hem daarin. Het evenwicht tussen mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, de integratie van allochtonen: gedegen vorming, opleiding en minstens zo belangrijk een professioneel onderwijssysteem zijn noodzakelijke voorwaarden voor een harmonieuze arbeidsmarkt. De federale overheid stelt zich ter beschikking om de gewesten en gemeenschappen in deze te ondersteunen.
Over bijkomende stappen in de staatshervorming zijn de voorbije dagen en weken al veel uitspraken gedaan. Ik herhaal dat wij de sociale partners zullen betrekken bij het denkproces aangaande de herschikking en noodzakelijke verbetering van de bevoegdheidsverdeling in dit land. Dit kan ertoe bijdragen dat het debat in alle objectiviteit en sereniteit gevoerd wordt. We kunnen in deze mogelijks eveneens inspiratie vinden in het recente akkoord dat over de gewestgrenzen heen werd gesloten met het oog op het behoud van onze welvaartsstaat.
Naast de sanering van de openbare financiën, de evaluatie en actualisatie van de Lissabonagenda en de modernisering van het arbeidsmarktbeleid, is er het belangrijke vraagstuk over het klimaat- en energiebeleid.
Zowel inzake productie en distributie als aangaande prijszetting en marktwerking zijn er prioriteiten te stellen en maatregelen te nemen.
Enerzijds naar de productie toe: België is de afgelopen jaren een netto-importeur van elektriciteit geworden. We voeren zowat 10% van onze elektriciteit in. Dit is geen goede evolutie en we moeten deze balans terug ombuigen door een betere benutting van de bestaande opportuniteiten. De regering zal nieuwe investeringen in productiecapaciteit verwelkomen en aanmoedigen. Bevoorradingszekerheid, betaalbaarheid en een verminderde CO2-uitstoot zijn zijn hierbij prioritaire doelstellingen en wij moeten zonder taboes durven nadenken over een ideale energiemix.
Wij denken ook vernieuwend: op dit moment vertegenwoordigt hernieuwbare energie een aandeel van 3% op de totale consumptie. Dit betekent een stijging van 50% t.o.v. het aandeel in 2003. Tegen 2010 willen we dit aandeel verdubbelen, tot 6%. Enkel met de realisatie van de offshore windparken is dit een haalbare kaart. Met deze parken beogen we tegen 2010 ongeveer 900 MW extra windenergie waarmee een kleine 800.000 gezinnen van stroom voorzien kunnen worden. Maar ook andere, minder zichtbare maatregelen dan de bouw van windmolenparken, dringen zich op. Zo is er bvb de capaciteit van de netten die versterkt moet worden om aan de gewenste toelevering van alternatieve bronnen zoals de warmtekrachtkoppelingcentrales te voldoen.
Ook inzake marktwerking zal de regering passende antwoorden moeten formuleren op de huidige concentratiebewegingen en alle gevolgen daarvan op de Belgische energiemarkt, dit vanzelfsprekend in overleg met alle betrokkenen.
Samen met collega Paul Magnette en in overleg met alle betrokkenen zal ik de eerstkomende maanden prioritair werk maken van een globaal, toekomstgericht en vernieuwend energiebeleid. De uitdagingen zijn groot, wij moeten betere afspraken maken in verband met de productie, de bevoorrading en de werking van de energiemarkt met het oog op de concurrentiepositie van onze bedrijven en de koopkracht van de gezinnen.
De sociaaleconomische agenda is dus goed gevuld. De uitdagingen zijn bijzonder groot. Parallel aan de genoemde beleidsprioriteiten: sanering van de openbare financiën, werk en arbeidsmarkt, het energievraagstuk, wil ik even stil staan bij het nakende inter-professioneel overleg.
Elk decennium heeft zijn sociaaleconomische uitdagingen. De jaren tachtig stonden vooral in het teken van het herstel van de concurrentiekracht van de ondernemingen. De jaren negentig brachten een herstel van het begrotingsevenwicht en de invoering van de euro. Het eerste decennium van de 21ste eeuw staat ons sociaaleconomische systeem, het Rijnlandmodel, onder druk.
De vergrijzingsgolf komt eraan, onze concurrentiepositie staat onder hoogspanning en we leven met permanent hoge energieprijzen.
Voorop staat het behoud van onze sociale verworvenheden, de verbetering van de levenskwaliteit door een optimale afstemming werk-gezin, maar dit alles zonder dat het de lasten op arbeid verhoogt.
De missie is duidelijk: economische groei zonder de houdbaarheid van onze welvaartsstaat te hypothekeren.
Wij moeten alles op alles zetten om deze doelstellingen te bereiken en ik doe daarvoor een beroep op u. Op het verbond voor Belgische ondernemingen, maar ook op alle partners binnen ons Belgisch sociaal overlegmodel. Het is onze verantwoordelijkheid om zekerheden te bieden voor de huidige en de komende generaties.
We zullen selectief moeten zijn zowel t.a.v. de vragen om lastenverlagingen als de vragen naar verhoging van de uitkeringen. Hiervoor doe ik een appèl aan het sociaal overleg. Dit overleg is noodzakelijk en een sociale consensus is broodnodig. Ik wil dan ook van de maanden die voor ons liggen gebruik maken om een vertrouwensklimaat tot stand te brengen op basis van duidelijke standpunten en voldoende tijd nemen om alle betrokkenen en belanghebbenden te sensibiliseren.
Het wordt een moeilijke opdracht, maar tezamen nemen we deze uitdaging aan!
Bij deze kom ik natuurlijk bij u terecht: Mr. Leysen.
U krijgt als nieuwe voorzitter van het VBO in de komende drie jaar een moeilijke maar zeer boeiende taak.
Uw organisatie moet zich volledig kunnen inzetten voor de meer dan 30.000 bedrijven die u vertegenwoordigt en voor de 1,5 miljoen Belgen die er hun dagelijkse boterham in verdienen. Een verantwoordelijkheid die gegeven de parameters van vandaag niet zonder uitdagingen is.
Ik som er enkele op: opereren binnen een internationale context met nieuwe concurrenten die beschikken over scherpe loonkostvoordelen. De kredietcrisis overzee en de sterke Euro. De relatieve krapte op de arbeidsmarkt en het onevenwicht tussen vraag en aanbod. De vraag van onze werknemers om de relatie arbeid-gezin op soepele en flexibele wijze in te vullen. De nakende onderhandelingen voor het nieuwe inter-professioneel akkoord waar u als voorzitter van de groep van 10 een beslissende rol in zal spelen, …
En omdat ik weet dat de ecologische dimensie u nauw aan het hart ligt, een extra woordje aangaande de klimaatuitdaging.
Het terugdringen van de uistoot van broeikasgassen, is een absolute must. De streefcijfers inzake broeikasgasemissies en hernieuwbare energie vanaf 2013 zijn zeer ambitieus. De regering engageert zich hiertoe, maar dringt tegelijk aan op een billijke kostenverdeling en voldoende flexibiliteit voor de bedrijven. We moeten aan de Europese en internationale verplichtingen voldoen zonder aan concurrentiekracht in te boeten!
Mijnheer Leysen, uit uw CV leer ik dat wij jaargenoten zijn. De leiding van een organisatie als het VBO of van een nieuwe regeringsploeg zijn uiteraard niet hetzelfde. We moeten beiden opereren met verschillende machtsverhoudingen en omstandigheden. Maar het zijn beide uitdagingen van formaat en ik ben ervan overtuigd dat we voor een groot gedeelte éénzelfde missie hebben.
We zijn niet alleen generatiegenoten. We delen ook dezelfde interesses. Twee weken geleden hebben we samen de Ronde van Vlaanderen gereden – weliswaar comfortabel in de volgwagen- en we mochten ervan getuige zijn dat met veel trekken en sleuren onze Belgische kampioen winnend over de eindmeet kwam. Ik hoop dat we deze vaststelling ook gezamenlijk na uw eerste voorzitterschap en op het einde van mijn eerste legislatuur mogen maken!
Beste Thomas,
Ik wil u zeer oprecht alle succes toewensen in uw nieuwe functie en ik kijk er alvast naar uit om u in uw rol als voorzitter van het VBO eerstdaags te mogen begroeten
Ik dank U.